Donderdagavond 23.30u, tandenpoetsen, naast elkaar in de badkamer.
‘Mijn kinderen willen met mij op vakantie. Alleen.’
………
‘Zonder jou.’
‘O!’

Die komt binnen, dat doet zeer. Ik wil iets zeggen, vind geen woorden. Gedachten flitsen door mijn hoofd: Ik hoor er toch ook bij? Waarom mag ik niet mee? Willen ze mij niet en waarom dan niet? Ik zeg niets, sta stil en voel het afgewezen-worden in mijn hele lijf.

Het goed is om mijn pijn te voelen, ik weet het, het is niet prettig. Ik voel het er-niet-bij-horen, terwijl ik zo mijn best heb gedaan er wel bij te horen. Het steekt in mijn buik en in mijn hoofd.

Dan voel ik heel langzaam de pijn wegvloeien. En kan ik een klein beetje objectiever naar de situatie kijken. Want wat vragen zijn kinderen in feite? Alleen maar dat ze meer tijd met hun vader willen doorbrengen, ze willen hem even voor zichzelf. Dus deze vraag zegt niets over mij. Of over het contact tussen zijn kinderen en mij. Het gaat zelfs helemaal niet over mij. Dat is leuk en niet leuk tegelijk. Zo belangrijk ben ik niet, hun vader is belangrijk. En zo hoort het.

Pas op dat moment kan ik hen hun eigen vakantie gunnen. Met hun vader. Deze omslag in denken, of ‘omdenken’ zoals Bertold Günster het noemt, maakt het leven prettiger. Je kunt ervoor kiezen om in de pijn te blijven hangen, om zielig te zijn en slachtoffer te worden, maar het hoeft niet. Je kunt er ook dwars door heen, en de zaak van een andere kant bekijken. Voorbij je eigen pijn. En dan is, wat eerst onoverkomelijk leek, ineens zo erg niet meer.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *