Dit is het verhaal van de gedwongen opname van mijn moeder in een verzorgingshuis. Van hoe wij kinderen eensgezind liegen tegen onze moeder die het zelf vaak niet zo nauw nam met de waarheid, wat leidde tot een verstoorde relatie en een hoop aversie van mijn kant. Dit is het verhaal van hoe we ons best deden niet te liegen en niet gemeen te zijn.
*
Steeds wanneer ik het doosje met het potje vitamine-D-pillen open, lees ik in haar schuine schoolhandschrift: 5 tabletten per dag. Mijn moeder Dini heeft naar mij geluisterd. Ze heeft deze woorden, mijn woorden, opgeschreven, op de enige plek waar ze die altijd terug kan vinden, aan de binnenkant van het dekseltje, maanden geleden, toen ze nog zelfstandig woonde in Muntendam. Het ontroert me en dat verbaast me. Telkens voel ik bij het zien ervan een beetje liefde, voorzichtige liefde.
Ik mis haar terwijl ze er nog is. Dat had ik nooit gedacht.
*
‘Wat zijn jullie gemeen!’
Ze smijt de woorden naar mijn hoofd. Mijn moeder Dini en ik staan recht tegenover elkaar in haar nieuwe kamer, tussen haar eigen stoelen en het bed van de instelling. Mijn moeder is woest, stampt met haar stok. Haar grote blauwe ogen kijken mij ijskoud aan. Mijn moeder, klein van stuk maar groots in haar strijdlust, weigert zich neer te leggen bij wat wij, haar kinderen, voor haar hebben geregeld. Ze houdt haar jas aan, klaar om te ontsnappen. Woede, frustratie en machteloosheid vechten in haar blik om voorrang.
Het is woensdagochtend 25 maart 2026. Zes jaar en één maand nadat onze vader, haar man, werd opgenomen in een verpleeghuis waar hij een kleine vier maanden later overleed. Daarna ging het bergafwaarts met Dini. We zagen haar boos worden, rouwen, bozer worden, weer rouwen, vereenzamen, verpieteren, verslonzen, dood willen. Soms wou ze best verhuizen naar een woonzorglocatie in Beilen, dichter bij mij, haar oudste dochter, zodat ik makkelijk wat vaker bij haar kan komen. Voor mijn broers en zus maakt de reistijd weinig verschil. Maar als puntje bij paaltje kwam wilde ze niet, durfde ze niet, hield ze alles tegen. Telkens opnieuw.
*
‘De Wet zorg en dwang regelt de rechten bij onvrijwillige zorg of onvrijwillige opname van mensen […] met een psychogeriatrische aandoening (zoals dementie)’, lees ik op de website dwangindezorg.nl van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Zorg. En ook: ‘onvrijwillige zorg is zorg […] waarmee de vertegenwoordiger heeft ingestemd maar waartegen de cliënt zich verzet.’
Het is allemaal keurig vastgelegd in de wet. Wij hebben te maken met onze moeder, die geen boodschap heeft aan welke wet dan ook, die God noch gebod vreest. Niet dat ze een losbandig leven leidt, of heeft geleid, maar ze laat zich door niemand nog de wet voorschrijven, sinds mijn vader is overleden. Zij bepaalt haar eigen leven, hoewel ze feitelijk niets anders doet dan vanuit haar stoel naar buiten kijken. Ze trekt zich van niemand iets aan, zegt wat ze wil zeggen, ongeacht of het pijnlijk is voor een ander.
Een indicatie voor vrijwillige opname was er al langere tijd. De hoop daarop is stilaan vervlogen. In overleg met de wijkverpleegkundige en de huisarts schakelen we over naar de Wet zorg en dwang. Als wij kinderen het niet langer vertrouwd vinden dat Dini nog zelfstandig en alleen woont, kunnen we haar gedwongen laten opnemen.
In maart 2026 beoordeelt het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) of onze moeder voldoet aan alle criteria om in aanmerking te komen voor gedwongen opname.
Op donderdagmiddag de 5e voeren mijn grote broer en ik samen het telefonische voorgesprek met een beoordelaar van het CIZ. We vertellen dat Dini een onbetrouwbare verteller is. Zodra er iemand op bezoek komt, vertelt ze vrolijk dat ze alles in huis zelf doet, eten koken, het huis schoonmaken en is ze vergeten dat ze even daarvoor somber was en graag dood wou. ‘Want,’ zegt Dini later, ‘het gaat een ander niets aan hoe het met mij gaat.’
Op dinsdag 10 maart is mijn grote broer bij het thuisgesprek van het CIZ met onze moeder. Hij mag zich niet in het gesprek mengen. Dini is altijd blij met bezoek en vertelt enthousiast dat ze zich prima redt. Grote broer laat een voicemail bericht horen van de vorige dag, waarin Dini vraagt of ze door het drinken van een fles ammoniak dood zal gaan. Dini ontkent dit te hebben ingesproken.
Op vrijdag de 13e oordeelt het CIZ positief over gedwongen opname en belt woonzorglocatie Altingerhof in Beilen dat onze moeder bovenaan de wachtlijst staat. Binnen een tweetal weken zal er plek zijn voor haar. Oei, nu wordt het spannend, het rommelt in mijn buik. Soms twijfel ik: maken we de juiste keuzes?
Op vrijdag 20 maart is er een kamer voor Dini beschikbaar. Ze wordt er over vijf dagen verwacht, op woensdagmorgen 25 maart om 11 uur. Aan ons de schone taak om te zorgen dat ze zal meewerken aan haar verhuizing.
*
Het is woensdagmiddag, zo’n half jaar geleden.
‘Ik lieg te vaak,’ zegt mijn moeder Dini nonchalant, onverschillig bijna, alsof ze vertelt dat de postbode post brengt. Ze staat aan het aanrecht, haar rug naar mij gekeerd, en giet kokend water uit de grauwe waterkoker in de theepot.
‘Huh?’ Ik ben verbijsterd. Ik weet dat ze vaak liegt, hoewel ze dat altijd ontkent.
‘Als ik geen zin heb om te koken, zeg ik dat ik niet meer weet hoe het moet. Dan bel ik iemand op om te vragen hoe je aardappels kookt. Maar nu jullie denken dat ik dementeer en van alles regelen, moet ik dat rechtzetten.’
In exact dezelfde bewoordingen vertelt ze dit aan mijn broers en zus. Onze moeder kan goed liegen, of heel gemakkelijk de waarheid verdraaien zodat wat haar overkomt altijd de schuld van een ander is. Dat weten we onderhand. Toch klinkt ze altijd zo overtuigend dat je haar als vanzelf gelooft. Zelfs bij het meest ongelofelijke verhaal twijfel je eerst aan je eigen voorstellingsvermogen. Inmiddels rinkelt er bij mij dan een dat-kan-toch-niet-belletje. Daarna dringt het besef van eerdere leugens zich op en sijpelt twijfel door naar haar verhaal. Nu ze begint te dementeren, is het nog lastiger te weten wat waar is. Haar beschuldigingen aan het adres van anderen zijn eigenlijk altijd onterecht.
Dini voelt zich haar hele leven al, te pas en te onpas, onheus bejegend. Zodra er iets gebeurt wat haar niet aanstaat maar wel aangaat, duikt dat gevoel op. Ze broedt erop, maakt het groter, draait en verdraait tot er een verhaal ligt waarin zij de dupe is van andermans gedrag. Vervolgens zijn er slechts twee manieren om dat vervelende gevoel kwijt te raken. Óf ze schrijft een nare brief aan de ‘dader’, die ze verwijt gemeen te zijn, óf ze belt een derde en overtuigt deze met het aangepaste verhaal, zodat haar verontwaardiging wordt gedeeld. Zo zegt ze bijvoorbeeld dat een broer van mijn vader niet meer langskomt met zijn vrouw, omdat Dini te ver weg zou wonen. Het blijkt pertinente onzin, ze komen met enige regelmaat op bezoek.
*
Vier dagen voor de gedwongen opname zijn mijn zus, beide broers, schoonzus en ik ter plekke, in de Altingerhof in Beilen. We krijgen een rondleiding door het hofje dat Dini’s nieuwe thuis moet worden, noteren de maten van haar kamer om te bepalen welke meubels mee kunnen verhuizen.
Iedereen is enthousiast over deze woonzorglocatie die grote broer en ik hebben uitgekozen vanwege eerdere positieve ervaringen (grote broer vanuit zijn werk als psychiatrisch verpleegkundige en ik met mijn schoonmoeder).
We verschillen sterk van mening over de manier waarop we Dini hier krijgen. We willen niet liegen en voorkomen later als gemeen te worden weggezet. Grote broer en ik zijn het eens over een leugentje om bestwil. De anderen niet: twee voor – drie tegen.
Ik zie het al voor me, als Dini niet wil meewerken. Ze zal haar armen over elkaar slaan en iets onderuit zakken in haar fauteuil om haar beide voeten stevig op de grond te planten. Ze zal een onverzettelijke blik opzetten zonder iemand aan te kijken en ook niet meer reageren op wat er gezegd wordt. Mochten we een poging doen haar uit de stoel te tillen, zal ze haar armen om de houten leuningen slaan. Ze zal wellicht zelfs gaan schreeuwen of huilen. De enige manier om haar vrijwillig mee te krijgen is met een leugentje om bestwil. Tussenstand: vier voor – een tegen.
We leerden allemaal de Tien Geboden, op school, in de kerk, thuis: we mogen geen valse getuigenis spreken tegen onze naaste. We hebben allemaal geleerd dat eerlijk het langst duurt en dat de leugen zal worden ingehaald door de waarheid. Dat zal hier ook gebeuren op het moment dat Dini begrijpt dat wij haar voorgelogen hebben en dat zij nooit meer terug kan naar haar eigen huis. Het huis waar ze zo ontzettend eenzaam was. Dat zal ze echter blijven ontkennen.
Mogen wij iemand onheus bejegenen, die ons te vaak onheus heeft bejegend? Die ook onze verhalen verdraait en ons tegen elkaar uitspeelt? Oog om oog, tand om tand? We kunnen blijven hangen in deze oudtestamentische tekst of overstappen naar het nieuwtestamentische: als iemand je slaat, keer dan je andere wang toe. Dini zal boos worden, zal ons van alles verwijten en met bijtende woorden om de oren slaan, ons gemeen vinden. We kunnen het niet voorkomen.
Onze schoonzus echter blijft vasthouden aan het feit dat we niet mogen liegen, want Dini is al eens bedrogen. We verzachten onze leugen. Ik zal haar dinsdagmiddag vertellen dat we de volgende dag naar de Altingerhof gaan en ik zal haar voorbereiden op de verhuizing, die zeer binnenkort zal plaatsvinden. Ik beloof mijn uiterste best te doen niet te liegen. Schoonzus gaat ook akkoord. Eindstand: vijf – nul.
*
‘Plak ‘m er maar onderop, dit lijkt niks,’ zegt Dini verongelijkt als ik een rond geel stickertje op de buik van het glanzende zwarte zwaantje wil plakken.
‘Maar dan zien we niet meteen wat er meegenomen moet worden, bij de verhuizing.’ Bijna had ik er morgen aan toegevoegd.
‘Deze kregen jullie toen jullie 20 jaar getrouwd waren, toch? Van de Chinees waar we gingen eten met het hele gezin. En het was het laatste jaar dat grote broer nog thuis woonde.’
Ik vind het leuk om herinneringen op te halen uit de tijd dat alles nog goed was, of goed leek. Mijn moeder heeft niets met herinneringen, schudt haar hoofd en neemt het zwaantje zwijgend van mij over.
Ik vervolg: ‘Dat moet op of rond 21 november 1977 zijn geweest, jullie trouwdag. Onze verkeringen mochten niet mee. We gingen alleen met ons gezin.’
‘Och, dat weet ik niet meer, hoor’, zegt ze onverschillig. ‘Maar hij mag wel mee.’
‘Welke kleur plakken we erop?’ Ik laat haar de velletjes zien met gekleurde stickertjes.
‘Kies jij maar uit, jij bepaalt toch.’
Ik zet het zwarte zwaantje met het gele stickertje terug op de schoorsteenmantel boven de gashaard die moet doorgaan voor een houtkachel.
Daarna drinken we samen thee, Dini en ik, en het is best gezellig. Zij weet niet dat vandaag de laatste keer is dat we hier samen zijn. Het maakt me weemoedig, zij is goed gehumeurd en hoopt dat we zo boodschappen gaan doen.
‘Dat is voor een andere keer,’ zeg ik en ik vertel haar dat ze bovenaan de wachtlijst staat voor de Altingerhof. Dat de kans groot is dat er zeer binnenkort een kamer voor haar vrij komt.
‘Morgenvroeg gaan we er heen,’ zeg ik, ‘ik ben hier om negen uur.’
Ze knikt. ‘En daarna beslis ik of ik daar wil wonen.’
Ze denkt dat ze nog wat in te brengen heeft, doet haar uiterste best om de regie te houden. We lopen samen door alle kamers van haar huis, bekijken de vele door haar geschilderde schilderijen en de zeer vele ingelijste legpuzzels. Als Dini een puzzel af had, lijstte mijn vader deze in en hing ‘m op. De laatste jaren kwamen er geen nieuwe lijsten meer bij, er was geen plek meer, ze verving oude puzzels in de lijst door nieuwe, bij voorkeur Oostenrijkse huizen in de bergen, plaatjes van Anton Pieck en bloemenstillevens.
Ik toon me verbaasd over de veelheid aan lijsten op alle muren van alle kamers. Ze wordt er vrolijk van en kijkt uit naar de verhuizing. Om haar daar beter op voor te bereiden bied ik aan nog één keer het filmpje van de Altingerhof te bekijken. Ze gaat akkoord, keek nooit eerder zo intens naar de beelden, terwijl ze het filmpje al voor de derde keer ziet. Beide eerdere keren zijn niet in haar geheugen opgeslagen.
‘Gaan we zo nog boodschappen doen?’ vraagt ze. Ik praat er over heen.
*
‘Moe belde, was vanmiddag met Paula naar de Altingerhof geweest, heeft het daar aanschouwd, met al die mensen in een drukke hal. Daar gaat ze dus niet heen. Is al begonnen de stickers te verwijderen,’ schrijf grote broer in onze Laning-app. Ik schrik. Paniek! Ze heeft het filmpje zo goed in zich opgenomen, dat ze gelooft dat ze er was. Vooral de filmbeelden met meerdere mensen erop, zijn blijven hangen. Ze vindt het vreselijk om veel mensen om zich heen te hebben, dus wil ze niet meer verhuizen. Het is dinsdagavond 24 maart, negen uur, nog 14 uur tot de opname.
Mijn zus regelt een telefonisch groepsgesprek en we overleggen koortsachtig. Hoe krijgen we Dini morgenvroeg mee naar Beilen? We besluiten eensgezind dat onze smoes een leugen moet worden, het mag en het moet. Die beslissing lucht enorm op, biedt ruimte. We brainstormen erop los en komen op het volgende idee: mijn zus belt Dini vanavond dat ze morgenvroeg samen met haar boodschappen gaat doen. Ze zullen eerst naar mij rijden om eieren te halen – die was ik vanmiddag vergeten mee te nemen – en koffie te drinken, zodat ze niet meteen begint te protesteren als ze Muntendam verlaten. Daarna zullen we boodschappen doen, maar in werkelijkheid naar de Altingerhof in Beilen rijden, 13 autominuten bij mij vandaan.
Dini schrijft diezelfde avond nog haar boodschappenbriefje.
*
Op zoek naar een boekenlegger vind ik een lieve en attente moeder. Die was er ook. Ik vind een feestelijk ansichtkaart met slingers en ballonnen en een langwerpige gedekte tafel met kinderen, elk met een taartje voor zich. Achterop de kaart een verhaaltje van mijn moeder dat me verbaasd doet glimlachen. Ze feliciteert mijn stiefkinderen met de jonge poesjes, vraagt of ze al een naam hebben, of ze Jip en Janneke heten, of Ot en Sien, of bumper en stuur. En ze eindigt met ‘Groetjes van opa en oma Laning.’
Dit kaartje stuurde mijn moeder ruim vijftien jaar terug aan mijn stiefkinderen, die niet haar kleinkinderen zijn. Dat maakte haar niet uit. En weer stel ik mijn beeld van mijn moeder bij. Niets is zwart-wit.
*
Het is woensdagochtend 25 maart 2026. Terwijl we door Beilen rijden, vraagt Dini na elke bocht: ‘Is dit Beilen?’ gevolgd door ‘Hier wil ik niet wonen.’ Mijn zus en ik antwoorden niet.
Keurig op de afgesproken tijd komen wij aan bij de Altingerhof. Ik help haar uitstappen en stijf gearmd lopen we naar de ingang van wat haar nieuwe thuis moet worden. Verbaasd kijkt ze naar mijn grote broer, mijn schoonzus en mijn lief Albert. Terwijl wij bij mij thuis koffie dronken, hebben zij een deel van Dini’s meubels opgehaald waarmee ze nu ze nu haar nieuwe kamer inrichten.
Het intakegesprek, het moment waarop de zorg voor het eerst met mijn moeder spreekt, vindt plaats in de kamer van een medebewoner die zelf de hele dag in de gezamenlijke huiskamer verblijft. Er zijn een paar stoelen uit de gang gehaald. Mijn zus en ik zitten in een halve kring rondom Marloes en Dini. Marloes is de Eerst Verantwoordelijk Verpleegkundige voor Dini, en daarmee ons aanspreekpunt.
‘Hoe wilt u aangesproken worden? Met mevrouw Laning? Of met uw voornaam?’ Marloes kijkt mij vragend aan. ‘Dini? Of Dina?’ vraag ik terug.
‘Dini,’ zegt mijn moeder resoluut.
‘En wilt u dat we u tegen u zeggen, of jij en jou?’
‘Jij en jou,’ antwoordt Dini stellig. En naar mij: ‘Ik blijf hier niet, ik wil hier niet wonen!’ Woede spat uit haar ogen, verwijt klinkt door in haar woorden. Ik voel me kleiner worden.
Dini beantwoordt alle vragen beleefd en vriendelijk, terwijl ze tussendoor met enige regelmaat naar mij kijkt: ‘Ik blijf hier niet, ik wil hier niet wonen!’ Mijn zus zit net buiten haar gezichtsveld, dus ik krijg alle beschuldigende blikken toegeworpen, alsof ik de enige ben die haar dit aandoet. Ook als de verpleeghuisarts haar vragen stelt en wat zaken uitlegt, blijft Dini vriendelijk kijken en beleefd antwoorden, en tussendoor boze blikken naar mij werpen.
*
‘Waar is Albert? Hij moet mijn stoelen terugbrengen naar Muntendam! Ik. Blijf. Hier. Niet! Ik. Wil. Hier. Niet. Wonen!’ Bijna stampvoet ze. We zijn op haar eigen kamer, tussen een deel van haar eigen meubels. Ik ontwijk haar blik en kijk naar de legpuzzel op de eettafel die ook meegekomen is. Een vrolijke puzzel die we samen maakten, tenminste dat was het idee, 1000 stukjes. De fietsen die voor de felgekleurde bloemen staan zijn klaar, de bloemen zelf nog niet. Elke keer als ik bij haar kwam, legde ik een paar stukjes aan, ook om even niet bij haar in de woonkamer te hoeven zitten, vooral als ze boos op me was als ik iets verkeerds had gezegd. Als ik weer naar huis was, legde zij de achtergebleven stukjes keurig in het gelid in lege dozen van eerdere puzzels, zodat ik de volgende keer makkelijker passende stukjes zou vinden.
We laten onze moeder Dini huilend en woedend achter, haar jas nog steeds aan. Marloes klemt haar vast, praat zachtjes op haar in, voorkomt dat ze met ons mee loopt naar buiten. De deur sluit tergend langzaam. Stilletjes lopen wij weg, kijken niet om, zwaaien niet.
