Ik moet het weten. Lijk ik op hem? Of op haar? Heb ik voorkeur?
Onderweg. Cruise control op 125 waar je 100 mag. Ik snap niet dat mensen dat kunnen, op zo’n prachtige vierbaansweg 100 rijden. De motoragent in het geel blijft bij het benzinestation staan, kijkt de andere kant op. Misschien kom ik er ook deze week mee weg. Ik tuf verder en kom aan. Hij zit in zijn stoel, staat op als ik binnen kom. Nee, het zijn niet mijn hakken die steeds hoger worden. Na drie botsende zoenen gaat hij weer zitten. Zo lijkt hij nog heel wat, zo in zijn stoel. Tenminste als zij zijn broeken regelmatig korter maakt. Dat doet ze. Zo vaak als nodig is. Ze komt de kamer binnen vanuit de hal waar ze zat te puzzelen, duizend stukjes maar liefst. Het helpt haar haar gedachten te verzetten. Haar welkomstzoenen prikken. Het is geen ladyshave-dag vandaag.
Ze praat over de puzzel, over haar fietstocht naar de supermarkt vanochtend en over de mensen die ze daar sprak. En ze moppert. Op hem. Altijd op hem. Op wat hij fout doet omdat hij niet meer weet hoe iets gedaan moet worden. En dat ze nu alles zelf moet doen. Ze moppert over vroeger, toen hij nog goed bij zijn hoofd was, op hoe hij haar behandeld heeft gedurende hun 65-jarig huwelijk. Ze kent de betekenis van de woorden ‘geestelijke mishandeling’, haar verhalen vertellen het. Telkens opnieuw. En telkens nieuwe. Ze beschikt over een onuitputtelijk reservoir. Hij luistert. Of niet. Soms weet ik niet wat er tot hem doordringt. Dan kijkt hij me aan, lege blik naar mij, ik, zijn middelste dochter. Herkent hij me vandaag wel? Of doet hij alsof en vraagt hij haar straks, als ik weer naar huis ben, wie die aardige mevrouw was?
Ik drink de slappe koffie en hoor haar nieuwste verhaal aan. Dat niet klopt. ‘Nee mam, zo is het niet gegaan, ik was er zelf bij, weet je nog?’ Ze luistert naar de door mij gecorrigeerde versie van haar verhaal. Ik kan niet bepalen of ze zich erin herkent.
‘Ik heb kleine koekjes gekocht, wil je er nu wel een?’
Ik zou meer begrip voor haar moeten opbrengen. Meer liefde voor haar moeten voelen. Dat verdient ze. Na alles wat haar is overkomen, haar hele leven lang. Maar ze roept aversie op. En niet alleen bij mij. Deed ze dat ook bij hem, vroeger, aversie oproepen? Deed hij daarom wat hij deed en werd hij wie hij was? Uit angst voor haar? Kan dat, dat ze het over zichzelf heeft afgeroepen? Hoe was ze voor haar huwelijk? En hoe was hij?
In mijn jeugd gedroeg hij zich als een tiran, een bullebak, een dictator, zo kende ik hem. Tot hij zwaar overspannen raakte, decennia geleden, en een andere man werd, aardiger, ook voor haar. Ja, hij was dé expert aller experts. Tot hij begon te dementeren. Nu nog maar een fractie kan van wat hij vroeger allemaal kon. En hij kon veel, heel veel. Op een nacht, onderweg naar het toilet, kwam hij ten val en brak zijn heup. In het ziekenhuis kreeg hij een nieuwe. Zo voorspoedig als dat herstel verliep, zo snel verergerde zijn dementie. Tegenwoordig zijn de woorden vaak zoek in zijn hoofd. Ruimt hij op wat niet opgeruimd hoeft te worden waardoor ze niet kan vinden wat ze zoekt. Af en toe weet hij dat hij veel niet meer weet. Weet hij dat hij soms zijn huis niet herkent, en zijn vrouw niet. Later vraagt hij zich af hoe dat kan. Hij snapt het niet, is de controle kwijt, het overzicht, alsof hij is verdwaald in een wildvreemde stad die hij meende te kennen van vroeger.
Tijdens heldere momenten realiseert hij zich wat voor vreselijke partner hij moet zijn geweest voor haar, zijn vrouw, mijn moeder. Ze heeft hem dat met enige regelmaat ingepeperd. Niet moedwillig, denk ik. Ze wist zich geen raad met de nieuwe situatie. Hortend en stotend zijn de rollen omgedraaid. Zij is nu de baas. Eindelijk bepaalt zij. Ze is er inmiddels aan gewend. En wat zij niet wil dat er geschiedt, gebeurt ook niet. Ze verzorgt. Mopperend en liefdevol en zorgzaam. Ze papt en houdt nat. Is blij met zijn dementie en met haar nieuwe status. Al haar verhalen kan ze bij hem kwijt. Hij luistert. Hij is lief, inschikkelijk. Hij zegt eindelijk dat hij van haar houdt, geeft haar gelijk in alles wat ze wil en wat ze niet wil. Hij is bang dat ze hem weg doet, wegstopt in een tehuis, overgeleverd aan onbekenden. Hier weet hij waar hij aan toe is. Ook zij wil het zo. Waarom? Na alles wat er is gebeurd?
Ik kijk naar hun tragiek, tot elkaar veroordeeld. Ze hebben zichzelf niet gemaakt. Zijn het product van genen, opvoeding, omstandigheden en keuzes. En daar ben ik weer het product van. Lijk ik op hem? Of toch op haar? Wie is dader, wie is slachtoffer?
