Tot ongeveer mijn vijfenvijftigste heb ik mijn moeder onvoorwaardelijk geloofd, hoe ongelofelijk haar verhalen ook waren. Tot ik ontdekte dat veel ervan niet klopte, dat mijn familie bijvoorbeeld wèl uit lieve en belangstellende mensen bestaat. Vijf jaar lang schoot ik heen en weer tussen geloof en ongeloof en toen wist ik het zeker. Mijn moeder liegt.
Met deze constatering ontwikkelde ik een groeiende weerzin tegen haar en kreeg ik steeds meer moeite met de beschuldigende en verwijtende toon waarop ze over anderen sprak. Hoezeer ik haar ook tegensprak, altijd bleef ze overtuigd van haar eigen gelijk. Toch wilde ik me niet van haar afkeren, zo in de laatste fase van haar leven. Ze heeft zichzelf niet gemaakt en het blijft toch je moeder. Wel wilde ik weten waaruit haar behoefte is ontstaan om de waarheid zo te verdraaien dat zij altijd en overal het slachtoffer is.
Ongetwijfeld speelde de Tweede Wereldoorlog hierin een rol. Mijn moeder was net vijf toen die uitbrak, maar het einde ervan was wellicht traumatischer. Eind april 1945 was vrijwel geheel Nederland bevrijd, behalve noordoost Groningen waar mijn moeder opgroeide. Terwijl Canadezen Appingedam bevrijdden, openden Duitsers een laatste offensief waardoor Appingedam van twee kanten onder vuur kwam te liggen. Mensen met familie in omliggende dorpen vertrokken. Op maandagmiddag 23 april werd een algehele evacuatie afgekondigd en de volgende dag haalden Canadese bevrijders mijn moeder, haar beide zusjes, babybroertje, ouders en grootouders uit de schuilkelder. Ze moesten weg. Mijn moeder vertelde daar soms over.
In een poging haar te begrijpen, besluit ik in 2025, tachtig jaar later, zelf die vluchtroute te lopen, 15 kilometer van Appingedam via Jukwerd naar Westeremden. Ik nodig bloedverwanten van moeders kant uit om mee te gaan. Om te herdenken en om de familiebanden te herstellen die mijn moeder om zeep had geholpen. Ik hoopte een paar nichten bereid te vinden, was uiteindelijk blij verrast met veertien lopers.
Tachtig jaar terug had mijn moeder geen keus, moest ze mee, nu weigert om mee te gaan of er even bij te zijn. Ik breng haar verhalen mee.
***
Bar Bruintje Beer in het middeleeuwse Appingedam is speciaal voor ons geopend deze zaterdagmorgen 3 mei 2025. Ondanks alle voorbereidingen met carpoolen en wegomleggingen ben ik te laat. Ik wurm mij door het donkere vierkante tochthalletje en stap de kroeg binnen, ongeveer de helft van de deelnemers in mijn kielzog. De andere helft is al binnen en veroorzaakt een gekakel van jewelste. Ik geniet van alle pratende, luisterende en lachende gezichten. Ik hoef niet zo nodig mee te doen, toekijken is genoeg. Drie generaties tellen we vandaag. Mijn tante, de jongste zus van mijn moeder, bijna 84, mijn dochter en haar man en vier nichten, twee neven, één broer, wat aanhang, en ik. Manlief is onze rondrijdende vliegende keep, die mijn tante onder zijn hoede neemt zodra de tocht voor haar te lang duurt.
Na koffie met gebak doe ik mijn verhaal. Aan de hand van oude foto’s van memorabele plekken nemen we de planning en de route door.
Buiten laten we een groepsfoto maken, inclusief een naoorlogse foto van mijn opa en oma. Opa in zijn invalidenwagen met een geruite deken over zijn benen waar zijn handen stil op liggen. Oma schuin erachter, in een bloes met een schootje en een rok van dezelfde stof. Mijn moeder vertelde gisteren dat het een zalmkleurig pakje was dat oma zelf had genaaid.
Van de kroeg wandelen we langs de synagoge, laten de begraafplaats met restanten van het Augustijner Eremietenklooster rechts liggen en komen op De Wierde. Op de plek waar het boerderijtje van onze moeders, grootouders en overgrootouders stond, staat nu een nieuw groot huis. We vergelijken de huidige situatie met foto’s van toen. Alleen de stronk van een oude boom die voor het boerderijtje stond, is er nog. De vrouw des huizes vraagt of we de achtertuin willen zien. Zeker! Deze oogt kleiner dan ik uit de verhalen van mijn moeder had begrepen. Maar het huidige huis staat dan ook verder van de weg af dan het oude boerderijtje. Toendertijd waren er veel fruitbomen en een forse moestuin, nu een paar geknotte bomen, een terras en een trampoline midden op een grasveldje. Net als mijn moeder herinnert mijn tante zich de Duitse soldaat die voor het huis op straat lag, zijn hoofd een eindje van zijn lichaam.
Bij een plantsoentje aan het eind van De Wierde stoppen we opnieuw, op de plek waar mijn opa soms zat te schilderen. Mijn moeder bracht hem dan ‘s ochtends in zijn invalidenkar naar deze plek en haalde hem na schooltijd weer op. Uit mijn rugzak haal ik een foto van een van zijn schilderijen, van de brug over de Groote Heekt, waar we nu op uit kijken. Canadezen zwommen deze Groote Heekt over om Appingedam te bevrijden, nadat Duitsers de brug hadden opgeblazen. Mijn moeder las in de schuilkelder Afke’s Tiental.
Over een nieuwe brug verlaten we Appingedam en over het spoor Groningen – Delfzijl zetten we koers richting Jukwerd, een kilometer verderop. De groep valt geleidelijk uiteen. Het is fris, net als tijdens de vlucht in 1945. De zon schijnt maar wordt regelmatig verdreven door wolken. In Jukwerd werden de vluchtelingen destijds gemaand om door te lopen. Het was er niet veilig, achter hen ging Appingedam in vlammen op. Vandaag wacht hier de voorste groep op de andere.
Gezamenlijk verlaten we Jukwerd aan de noordkant en slingeren door het open Groninger land. De lucht is hardblauw, wat witte wolken zweven voorbij, de berm is groen, net als de weilanden, her en der bloeien paardenbloemen, de sloten zijn recht, de horizon ligt vele weilanden en akkers ver van ons af, soms onderbreekt een boerderij tussen bomen de weidsheid, de weg is geasfalteerd. Was het in de oorlog een kleiweg? Ik weet het niet. Na een kleine vijf kilometer bel ik manlief: kom tante maar halen. Het tempo van haar groepje zakt naar een bedenkelijk niveau. Als ze even later in de auto stapt, is ze opgelucht. Bij de lunch zullen we elkaar weer treffen. Na elke stop vormen zich nieuwe duo’s, gesprekspartners wisselen elkaar af. Soms doe ik mee, soms observeer ik slechts.
Toen ik mijn moeder een foto liet zien van de vooroorlogse brug van Oosterwijtwerd, herinnerde ze zich dat ze daar haar schoen was verloren, dat ie in de modder bleef steken. De brug was een paar dagen eerder door Duitsers opgeblazen. Dorpsbewoners hadden spoorbielzen over het water gelegd, waar iedereen overheen moest, ook mijn opa in zijn driewielige invalidenwagen. Dat moet spannend zijn geweest, maar dat herinnert mijn moeder zich niet. Wel weet ze nog dat haar moeder haar maande om door te stappen en haar andere schoen dan ook maar uit te trekken. Zelf liep ze op sokken, mijn oma, groene gebreide sokken. Ze had in plaats van schoenen verzekeringspapieren en een geldkistje meegenomen. Volgens mijn tante waren haar sokken helemaal dóór toen ze in Westeremden kwamen, volgens mijn moeder waren ze nog heel.
Even later lunchen we bij Visrestaurant De School, dat eenzaam in het open vlakke land staat. De meegebrachte foto’s worden nogmaals uitgebreid besproken, er worden herinneringen en levensverhalen gedeeld en er wordt smakelijk gelachen om allerlei familie-anekdotes. Na anderhalf uur stapt manlief met tante in de auto en wandelen wij richting Eenum en Loppersum en verder, nergens bleek plek voor de vluchtelingen.
Een kilometer voorbij Loppersum moeten we kiezen: rechtdoor of rechtsaf. Ik loop in de achterste groep, zie de snelsten wachten en wijs naar rechts. Mijn broer blijft staan. Rechtdoor is veel mooier, zegt hij even later. Dat klopt, maar we lopen de route van onze moeders. Hij knikt en samen lopen we verder over de rechte verharde weg naar Westeremden.
Er waren daar twee scholen en mijn moeder weet niet in welke ze werden opgevangen. Ze weet wel dat ze in het stro sliepen en achter de school op een grasveld speelden, maar dat kan voor beide scholen gelden. Haar ouders en babybroertje sliepen in het huis van de hoofdmeester aan de overkant van de weg, meent ze. Rechts voor de plek waar de Gereformeerde school heeft gestaan, staat een echt schoolmeestershuis, De hoofdmeester was verzetsleider van Westeremden, hij zat aan het eind van de oorlog elders ondergedoken. Ruim na de bevrijding keerde hij terug met zijn gezin. Ik vermoed dat mijn opa en oma in hún huis sliepen. Maar zeker weten doe ik het vooralsnog niet. Het huis wordt momenteel verbouwd en we mogen even binnen kijken. De huidige bewoners vinden ons verhaal interessant, het maakt hun huis speciaal, ook voor hen.
Aan het eind van de wandeling treffen we manlief en tante bij Roodehaan eten & drinken in Westeremden. Iedereen is enthousiast over deze buitengewone dag, over het bijzondere karakter van de wandeling, de vluchtroute van onze voorouders. Ik krijg een enorme bos bloemen als dank en dan is het tijd om te genieten van een heerlijk driegangendiner en na te praten over onze ervaringen. We zijn het erover eens: dit is voor herhaling vatbaar. Ik raak mijn glimlach niet meer kwijt.
Antwoorden vond ik niet, wel mijn familie.
