Rond haar negende verjaardag werden mijn moeder, haar ouders, zusjes, babybroertje, grootouders en buren weggestuurd uit hun schuilkelder in Appingedam vanwege aanhoudende beschietingen tussen Duitse bezetters en Canadese bevrijders. Ze vluchtten te voet naar een school in Westeremden. Althans: dat heeft mijn moeder altijd beweerd.
‘Dus we hebben de verkeerde route gelopen.’
Mijn broer zit tegenover mij aan de keukentafel en kijkt mij recht aan. Ik zoek de gedachten achter zijn constatering. Is hij niet-boos-maar-teleurgesteld? Zie ik een klein lachje in zijn ooghoeken? Zo van: ach wat doet het ertoe, het was een mooie dag? We kennen beiden het wisselende waarheidsgehalte van de verhalen van onze moeder.
Ik zoek het uit, reageer ik.
Bij de bevrijding van Appingedam in april 1945 moest onze moeder vluchten. Voor een negenjarige meisje zal dat een traumatische ervaring zijn geweest. Het zou – wellicht deels – de oorzaak kunnen zijn van haar bijzondere gedrag.
Om deze vlucht en onze grootouders te herdenken liepen we afgelopen voorjaar met vijftien familieleden dezelfde route – dacht ik – als zij destijds, zo’n 15 kilometer. Al tijdens de voorbereidingen vroeg ik me af hoe het mogelijk was dat niemand in Westeremden wist van vluchtelingen uit Appingedam. Ik deelde mijn twijfels met mijn broer, wat hem eerdergenoemde opmerking ontlokte.
Wel herinnert mijn moeder zich veel over die evacuatie van Appingedam. Ze vertelde over een onthoofde Duitser op straat, vlakbij hun huis. Dat ze in Jukwerd werden doorgestuurd omdat het daar niet veilig was. Dat ze haar schoen verloor en haar moeder zei de andere ook maar weg te gooien. Dat haar opa in zijn invalidenwagen door de overbuurmannen die mee vluchtten, over de spoorbielzen werd geduwd die de opgeblazen brug bij Oosterwijtwerd vervingen.
De kilometers na Oosterwijtwerd zijn weggeslopen uit haar geheugen. Pas in een school in Westeremden, hemelsbreed zo’n 7 kilometer ten westen van Appingedam, zijn er nieuwe. Daar lag stro, daar konden ze slapen. En haar invalide vader, haar moeder en babybroertje sliepen in een kamer die niet gebruikt werd in het huis van de meester aan de overkant van de weg. Mijn moeder sliep met haar beide zusjes en hun grootouders op het stro in de school. In Westeremden. Zegt ze. Haar zussen beamen het.
Ik geloofde haar. Tot die ene vraag mijn hoofd binnen bulderde, waarmee twijfel op visite kwam, bleef hangen, ook toen dat geen prettig gezelschap meer was. Ik was geschokt, en tegelijk geïntrigeerd. Hoe kan het dat nergens iets is geboekstaafd over de opvang van vluchtelingen uit Appingedam in een school in Westeremden?
Ik zoek het uit, had ik tegen mijn broer gezegd. Maar waarom eigenlijk? Omdat zoeken, en onderzoek doen, net zo iets is als puzzelen waar ik mij graag in verlies? Een legpuzzel – die ik samen met mijn moeder maak – of een sudoku – bij voorkeur de killer variant – kennen beide slechts één goede uitkomst. Het is goed of fout, daar hou ik van, duidelijkheid. Zo benader ik ook dit vraagstuk. Ik geef pas op als ik alles heb geprobeerd en een eenduidig antwoord heb.
Verificatie
Woensdagmiddag is moedermiddag, dus rijd ik een kleine veertig autominuten noordnoordoostwaarts naar mijn moeder. Ze woont nog zelfstandig, in een bungalow die ze zo’n twintig jaar terug samen met mijn vader kocht. Mijn vader leeft niet meer.
Een ronde salontafel staat middenin het zitgedeelte van de grote woon- en eetkamer, drie antieke stoelen en een tweezits bankje eromheen. Midden op de tafel een kleine vierkante pers, daarop een potje met eeuwig groene blaadjes en witte bloemetjes met gele hartjes. Met licht trillende hand schenkt ze voor ons beiden thee in lichtbruin uitgeslagen glazen op gerimpelde onderzetters. Ze zet de ronde stenen theepot, grijs met blauwe lijnen en veel barstjes, op een schoteltje en legt voor ons elk een pennywafel op een ander schoteltje. De stroopwafels heeft ze al opgegeten. We keuvelen wat over het weer en zo ineens komt Geert Borg ter sprake. Buurjongen van toen, net zo oud als zij, met zijn zusje Jet. Zij zaten ook in hun schuilkelder, met hun ouders, en zij vluchtten ook mee. Thuis google ik op Geert Borg, vind zijn overlijdensadvertentie.
Kovvie proat
Deze keer bezoek ik er de tweewekelijkse Kovvie proat in het dorpshuis. De buitendeur heeft mij eerder gespot dan ik de deurklink kan vinden en opent uitnodigend. Een smalle gang leidt naar een ruime zaal. Twaalf mensen zitten er rondom een grote, rechthoekige tafel, de mannen aan het andere uiteinde, de vrouwen direct bij binnenkomst. De meesten kijken op als ik binnenkom, sommigen vervolgen onverstoord hun gesprek.
Ik voel me ongemakkelijk, realiseer me ineens dat ik me niet heb voorbereid op mijn introductie in een groep. Onderweg hiernaartoe genoot ik van het open Groninger landschap, voelde dat hier mijn wortels liggen, zag de zon doorbreken waar het thuis in Drenthe nog grijs, grauw en nat was. Nu weet ik niet of ik zal gaan staan om aandacht te vragen of mij alleen zal richten tot die mensen die mij vragend aankijken, wel vriendelijk overigens. Ik groet Ben, de enige die wist van mijn komst, oom van een schoonzoon. Hij heeft voor mij het boek Westeremden 80 jaar bevrijd! geregeld. Ben groet terug, hij zit aan de overkant waar de mannen hun aandacht voor mij al weer verloren zijn.
Een beetje stuntelig stel ik mezelf kort voor aan de vrouwen om mij heen en haal mijn moeder en haar vlucht weer van stal. Na diep nadenken blijkt niemand het boek En toen kwamen de parachutes… te kennen, over de Tweede Wereldoorlog in Westeremden, uitgebracht in 2015. De aandacht verslapt weer. Maar dan komt de bijna negenennegentigjarige Omke Burema ter sprake, oudste inwoner van Westeremden en al zijn hele leven hier woonachtig. Als iemand weet waar de vluchtelingen van toen zijn opgevangen, dan moet hij het zijn. En hij zal dat boek ook hebben. Zijn naam heb ik eerder gehoord. Ik heb ook eens een filmpje bekeken waarin hij geïnterviewd werd over de oorlog.
De dame naast mij aan tafel, Greet van de Molen-Slager, blijkt de buurvrouw van deze Burema te zijn. Als ik met de auto ben, wil ze mij wel even naar hem toe brengen. Ik krijg weer hoop, we rijden erheen. Maar Burema zit niet op zijn vaste plek in de keuken en ook zijn vrouw is nergens te zien. Niet thuis, concludeert Greet, die terloops meldt dat haar familie in het verzet zat en haar neven en nichten misschien ook nog wel wat kunnen vertellen. Overbuurman Kees moet het boek ook hebben. De schuurdeur is gesloten, dan is hij op de fiets naar Stedum om het hondje van zijn dochter op te halen, weet Greet.
Ik overweeg om naar huis te rijden, maar mijn gids troont mij mee haar eigen huis in. Terwijl ik in de keuken een praatje maak met haar man, komt ze terug met een tweetal boekjes over Westeremden. Ik mag ze lenen.
Als ik dan echt naar huis wil, zien we de schuurdeur bij overbuurman Kees openstaan. Ik word geïntroduceerd, krijg koffie en hij overtuigt mij met hem naar boven te gaan. Ik loop achter hem aan de trap op en kom in een logeerkamer met twee kleine boekenkasten. Daar vinden we nog vier boekjes over Westeremden. Ik mag ze allemaal lenen. Wie weet wat ik in deze boekjes ga vinden. Als je specifiek naar iets zoekt, mis je soms aanverwante relevante informatie.
Met zes Westeremden-boekjes wandel ik terug naar mijn auto die nog steeds voor de boerderij van de Burema’s staat. Ik loop toch nog even het smalle tegelpaadje op, langs de keuken, en zie ze zitten. Hij meteen in de hoek bij de ramen, zij naast het aanrecht.
Ze staat meteen op als ze mij naar de deur ziet lopen, net voorbij de keuken. Ze bekijkt mij afwachtend. Voor de honderdste keer breng ik mijn moeder te berde. Ik mag binnenkomen. Ik volg haar door een krappe donkere gang die de deel scheidt van het woongedeelte en die eindigt bij de keukendeur. In de keuken is het tropisch warm. Burema zelf zit aan de overkant van de vierkante eettafel met pers erop, in een dikke trui in een luie stoel in de hoek van de kamer met aan zijn beide zijden een raam, de een uitkijkend op de straat en de ander op het tegelpaadje waar ik net overheen liep.
Zijn vrouw vertelt wat ik wil vragen en laat zich zakken op haar stoel aan het aanrecht, naast het fornuis waarop boontjes en aardappels staan te pruttelen en uit een grote bruine vleesplan een heerlijke geur opstijgt. Ik houd mijn winterjas aan en blijf staan, mijn bril beslaat een beetje.
Gelukkig versta ik Gronings. Ze weten van evacuees uit Rotterdam en Zeeland, die gedurende de oorlog soms jarenlang in gezinnen hier verbleven. Van vluchtelingen uit Appingedam weten ze niets. Tot Burema met mijn vluchtende Damsters aan de haal gaat. Ineens weet ie het wel, maar hij kent geen namen omdat ze hier maar kort waren. Wat ik dus net zei. Ze vertellen nog wat over hun kinderen en kleinkinderen, waar ze wonen en welk leed hen overkomen is. Dan neem ik afscheid.
Met een tas vol boeken en een hoofd vol gesprekken en onbeantwoorde vragen rij ik even later door het zonovergoten weidse Groninger land naar huis.
Groninger Archieven
Vorig jaar bezocht ik een tentoonstelling over de bevrijding van Appingedam, in Museum Stad Appingedam. Daar vond ik een krantenadvertentie Bekendmaking Aanmelding Evacue’s (‘allen die wegens gevechtshandelingen der laatste dagen hierheen zijn geëvacueerd, moeten zich melden op het gemeentehuis in Slochteren’), een Vluchtelingenverklaring (uitgegeven door het Gewestelijk Evacuatiebureau ”De Drie Noordelijke Provinciën” aan een ‘Oorlogsgeweldvluchteling’, datum van afgifte 1/5/1945) en een Bewijs van Registratie (uitgegeven door de gemeente Hoogezand aan vluchtelingen uit Bierum, datum van afgifte 27/4/1945). Met andere woorden, er zijn registraties. Misschien ook in Westeremden, toentertijd gemeente Stedum. En die zullen te vinden zijn in de Groninger Archieven (GA), verwacht ik. Eindelijk zal ik bewijs vinden voor het verblijf van mijn moeder in Westeremden.
Digitaal selecteer ik het maximale van zes mappen bij de GA uit de plaatsingslijst Militair Gezag; DMC Appingedam; 1945 en trein een paar dagen later naar Groningen om ze in te zien. De studiezaal is een grote ruimte met royale tafels, per vier gegroepeerd en alle voorzien van een nummer. Er zijn slechts een paar bezet, voornamelijk met mannen van zekere leeftijd. Iedereen werkt, leest en zoekt in stilte. Koffie is naast de studiezaal te koop, mag niet mee naar binnen en de archiefstukken mogen niet mee naar buiten.
Aan de balie krijg ik drie van de zes mappen mee. De eerste is meteen raak: een lijst van Opgaven enz. van door troepen gedane plunderingen. Die plunderingen zijn begaan door Canadese soldaten in verlaten dorpen. Oosterwijtwerd, Eenum en Zeerijp worden genoemd. Bijna alle inwoners waren gevlucht, dus mijn moeder kon in deze dorpen geen onderdak vinden. Ze moesten verder.
Beide andere mappen, en ook de volgende drie leveren geen nieuwe kennis op.
Mailen
Elke gemeente heeft een eigen archief. Westeremden valt tegenwoordig onder de gemeente Eemsdelta. Ik mail het verhaal over mijn moeder naar Jeroen Hillenga, archivaris in Eemsdelta. Hij komt met het verlossende en tegelijk zeer onbevredigende antwoord: ‘De correspondentie over vluchtelingen uit Appingedam in het archief van de gemeente Stedum bestaat welgeteld uit één brief … van 5 mei 1945 van de burgemeester van Stedum aan de inspecteur van het lager onderwijs over de beschikbaarheid van schoolgebouwen voor het onderwijs. In de brief wordt gezegd dat de openbare en de bijzondere school te Westeremden vol vluchtelingen zijn, en dat beide scholen zo spoedig mogelijk in orde worden gebracht, zodat binnenkort de lessen weer kunnen aanvangen.’ Hij voegt een scan van de brief toe. Ik baal. Ik hoef dus niet meer op pad, ik hoef nergens meer achteraan. Het is klaar en ik ben nog geen stap verder.
